Column

Een thuisbasis voor emancipatie

door Adriaan de Ruig, oud lid van de Raad van Toezicht van de Vereniging Cliëntenbelang

Tijdens de laatste maanden in mijn rol als voorzitter Raad van Toezicht van Cliëntenbelang werd wel eens benadrukt dat ik liefst 9 jaar bestuurlijk of toezichthoudend actief ben geweest. Dat kan men lang vinden, maar binnen Cliëntenbelang zijn er héél veel mensen veel en veel langer actief. Mensen die misschien wel vanaf onze voorgangers een belangrijke bijdrage leveren. Dus mij past bescheidenheid.

Onlangs is een boek verschenen, waarin de schrijvers pogen de geschiedenis van de patiëntenbeweging in Amsterdam te schetsen vanaf de jaren zeventig tot nu. Belangrijk om nieuwkomers bij Cliëntenbelang, de gemeente en andere ketenpartners consequent te blijven vertellen dat de wortels van Cliëntenbelang bij die patiëntenbeweging liggen.

Dat was niet alleen een protest of eisende beweging, maar ook een thuisbasis voor ontmoeting, lotgenotencontact, zelfherkenning en zelferkenning; anders gezegd voor emancipatie. Neus aan het venster, uit het verdomhoekje. Interessant om te zien dat nu wordt gesproken van Cliëntenbelang en de term patiënt niet voorkomt in de naam.

Mijn eerste Algemene Ledenvergadering vond plaats in december 2012. De pijn van de fusie was nog volop voelbaar in die vergadering. Op zeer hoge toon sommeerde een vertegenwoordiger van Cluster Ouderen de toenmalige bestuursvoorzitter per omgaande zijn functie neer te leggen en daarmee niet te wachten tot de volgende Ledenvergadering. De toon was gezet. Vooral toen ook vanuit het Cluster GGZ harde noten werden gekraakt. Niet iedereen was blij met zulk vertoon. De onderlinge spanningen tussen de clusters waren duidelijk.

In later volgende Ledenvergaderingen - ook in andere besprekingen trouwens - viel mij op dat de irritatie zich vooral richtte tegen ons cluster GGZ. Te grote mond, te sfeerbepalend en te kritisch in de ogen van anderen. GGZ als zondebok. Uiteraard leefde die irritatie niet bij iedereen, maar onze GGZ-vrijwilligers hadden het in die tijd niet makkelijk.

Een bloedgroepencultuur, anders gezegd. Te weinig kennis over elkaar en te weinig onderling contact. Hierbij niet vergeten dat enkele beleidsmedewerkers en projectmedewerkers een verleden hadden bij één van de fusiepartners, dus niet bij een andere. Ook zij hadden hun bloedgroeployaliteit.

De gemeente verwachtte van de fusie dat de verschillende belangenorganisaties niet ieder afzonderlijk met de gemeente wilden praten of knokken, maar dat met één mond werd gesproken. Heel begrijpelijk, een relatie onderhouden met één club is gezien vanuit gemeentelijk perspectief heel efficiënt. De grote verdienste van Cliëntenbelang is echter niet alleen dat we inderdaad vanaf 2009 met één mond praten, maar meer nog dat Cliëntenbelang naar binnen toe een inclusieve organisatie is geworden.

Geen enkele patiëntenorganisatie, lidorganisatie, platform, individueel lid, cluster of werkgroep distantieert zich van een andere, iedereen ziet en begrijpt dat je niet de enige bent maar lief en leed met elkaar deelt. Het grote voordeel van een inclusieve organisatie is dat bijvoorbeeld ouderen meer te weten komen en meer affiniteit krijgen met bijvoorbeeld slechtzienden, slechthorenden of andersom, dat bijvoorbeeld mensen met een GGZ achtergrond meer begrip krijgen voor bijvoorbeeld mensen in een rolstoel en andersom. Dat niemand zich geneert om met een ander in een gezamenlijke vereniging actief te zijn.

Het was erg fijn om deel te mogen uitmaken van zo’n organisatie. Op die voet gaan we verder.